Friedrich Eduard Keilig

Friedrich Eduard Keilig, uit de necrologie van Le Petit Bleu, 31 juli 1895

Keilig werd geboren in Rödgen op 17 maart 1827 in het toenmalige koninkrijk Saksen, als zoon van een landbouwer.  Wegens een oogziekte kon hij geen universitaire studies aanvatten en stuurde zijn vader hem naar het vermaarde tuinbouwbedrijf van Keil in Leipzig waar hij een opleiding volgde en werkzaam was vanaf 1844. Als deel van zijn opleiding volgde hij als vrije student een aantal colleges over scheikunde en plantkunde aan de universiteit van Leipzig. Van 1847 tot 1849 werkte Keilig in het koninklijke park van Charlottenburg in Berlijn waar hij zich onder leiding van landschapsarchitect Peter Joseph Lenné verder bekwaamde als tuinarchitect en eveneens les volgde aan de universiteit van Berlijn. Nadat Keilig in 1849 nog een stage deed als tuinarchitect in Elberfeld, ging hij een jaar later naar Keulen waar hij een tuinbouwbedrijf leidde.

 

 

Vanaf 1857 deed Keilig mee aan ontwerpwedstrijden. Eerst nog zonder succes, zoals een wedstrijd voor de aanleg van het Parc de la Boverie te Luik waarin hij tweede werd. In 1862 behaalde hij wel de eerste prijs voor de aanleg van het Ter Kamerenbos, een uitloper van het Zoniënwoud. Het is vooral dit project dat hem internationale bekendheid gaf en het Antwerpse stadsbestuur er in 1867 van overtuigde om met deze ontwerper in zee te gaan: “M. Keilig parait avoir complètement réussi dans ce travail et a su tirer un excellent partie du bois et de ce que la nature lui mettait sous la main”. In datzelfde jaar kreeg hij tevens de opdracht van de nieuwe koning Leopold II, om nabij het Koninklijk Domein van Laken een nieuw publiekspark te ontwerpen. Toen de koning de nodige gronden had verworven, werd ook het nieuwe Park van Laken naar het ontwerp van Keilig aangelegd.

In 1853 bezocht hij België waar meerdere tuinbouwbedrijven internationale faam genoten. Bij het gerenommeerde tuinbedrijf van botanicus, ontdekkingsreiziger en zakenman Jean Linden (1817-1898) in Brussel, befaamd vanwege zijn orchideeënserres, ontmoette hij baron Charles Ernest de Man de Lennick (1800-1865), een groot tuinliefhebber. Deze vroeg hem een ontwerp te maken voor zijn landgoed te Bierbais. Keilig verbleef op het kasteeldomein en werd zo geïntroduceerd in de adellijke kringen waardoor hij verscheidene opdrachten verwierf. Zo ontwierp of hertekende hij kasteelparken in Deurne, Wijnegem en Westmalle. In 1856 vertrouwde de toekomstige koning Leopold II, hem de uitbouw van het Park van Tervuren toe, de eerste in een reeks koninklijke opdrachten. 

Ter Kamerenbos, rotsbrug over ravijn, postkaart © G. Adriaenssens

Ter Kamerenbos, overzet naar het chalet Robinson circa 1905, postkaart © erfgoed.brussels

Park d'Avroy © dienst toerisme Luik 

Park van Laken © erfgoed.brussels

Park Van Laken © bruzz.be

Nadat Keilig in 1868 de Belgische nationaliteit had aangenomen, werd hij nog datzelfde jaar benoemd tot inspecteur van de plantsoenen van Brussel waardoor hij betrokken was bij de realisatie van alle openbare landschappelijke ruimtes in de Belgische hoofdstad. Hij bleef ruim 25 jaar in dienst van de stad en stond dus ook in voor het beheer van zijn eigen creaties, zoals de beplanting van de Louizalaan en het Terkamerenbos. 

Daarnaast bleef Keilig ook actief als landschapsarchitect. Grote parken die hij nog ontwierp waren het Parc d'Avroy in Luik (ontwerp in 1876 en uitvoering in 1882) en het Maria Hendrikapark (ontwerp in 1876 en uitvoering in 1888) met de Koninginnelaan (1892) in Oostende. Door bemiddeling van koning Leopold II was hij eveneens betrokken bij de ontwerpen van het Dudenpark en het Park van Vorst. Ook tekende hij de eerste voorontwerpen voor de Tervurenlaan. Van de koning zelf kreeg hij nog nieuwe opdrachten in het Park van Tervuren en in 1875 ontwierp hij, eveneens op initiatief van de koning, de Hippodroom van Bosvoorde.

P. Merwart, Zicht op Ter Kamerenbos en Louizalaan, olie op doek, circa 1898 © erfgoed.brussels

Ook in Antwerpen wil men een stedelijke groendienst oprichten en vraagt het stadsbestuur aan Van Bever om inlichtingen in te winnen bij Keilig over de werking van de Brusselse groendienst. Uit het antwoord van november 1869 blijkt dat de bereidheid van Keilig om ook in Antwerpen de functie van groeninsprecteur op zich te nemen erg groot is: 

“ De toekomst van die wandelingen hangt helemaal af van de manier waarop ze beheerd worden. Om hun ontwikkeling te verzekeren is het onontbeerlijk om ze toe te vertrouwen aan iemand die zowel kennis van de tuinkunst als van de boomteelt heeft. Ik zou zeer gelukkig zijn mocht de Administratie van de Stad Antwerpen mij de ambten in kwestie willen toevertrouwen. Bovendien zou ik het genoegen hebben om mijn werk te zien groeien en het te voltooien in de zin zoals ik het werk, waarvan ik de eer had het voor Antwerpen uit te voeren, bedacht heb. De verbindingen tussen Brussel en Antwerpen zijn bovendien zo gemakkelijk, dat het bijna niet moeilijker is om naar Antwerpen te gaan, dan om me naar het Terkamerenbos of Laken te begeven. Ik denk dat die ambten per jaar minimaal tweeduizend frank waard zijn. Dit bedrag lijkt mij des te bescheidener omdat de stad, door mijn aanbod te aanvaarden, vermijdt om in de toekomst erelonen te moeten betalen voor wijzigingen en nieuwe ontwerpen die zich zouden aandienen. Desgevallend de Administratie mij met haar keuze vereert, hoop ik dat mijn aanstelling zich niet tot enkele jaren zal beperken. De eerste jaren zullen de moeilijkste zijn omdat de dienst georganiseerd moet worden en omdat de grootse transformatie die de stad Antwerpen ondergaat gedurende die tijd zeker nog verschillende werken van tuinkunst zal vragen, de kunst die meer dan welke andere ook bijdraagt tot de verfraaiing van onze moderne steden.(...)"

 

Keilig aan Van Bever, 14.11.1869.

De spontane sollicitatie blijft zonder gevolg en uiteindelijk wordt Henri De Bosschere pas in 1876 aangesteld als eerste directeur van de Antwerpse dienst Aanplantingen. Op zijn vraag wordt Keilig in 1877 naar Antwerpen gehaald om het Stadspark te inspecteren. Hierover schrijft Keilig op 2 oktober 1877 het volgende aan Schepencollege:

“Heren, ik heb de eer u mee te delen dat ik mijn standpunt over het weghalen van bomen in het park van uw stad aan Mr. De Bosschere heb meegedeeld. In het park zelf moet men zich beperken tot het wegnemen van een klein aantal bomen die te dicht bij hun buren staan, het vervangen van enkele anderen die niet goed groeien en het inkorten van de takken van enkele heesters. Er is maar weinig te doen en het is beter te weinig dan te veel te doen. Ik ben een absoluut tegenstander van het opsnoeien van de boomkruinen. Naar mijn mening moet men elke boom zijn vrije ontwikkeling laten (...)”

Keilig ijvert zijn ganse loopbaan voor het behoud van waardevolle beplantingselementen. Iedere boom, ook een ouder exemplaar, verdient optimale groeiomstandigheden. Enkel wanneer het overleven van de boom in gevaar komt, wordt er ingegrepen door te verplanten of uit te dunnen. Er mag geen sprake zijn van kunstmatig snoeien. Het fragment hierboven gaat andermaal om bomen in de parkrand. Het voorgestelde rooien van de oude kastanjebomen zorgt voor commotie in de Antwerpse gemeenteraad. Daarom worden Keilig en de Bosschere gevraagd om, in het bijzijn van de gemeenteraadsleden, de bomen die gerooid moeten worden, te merken en ter plaatse hun advies toe te lichten. De betreffende bomen worden uiteindelijk verplant, onder meer naar de Louiza-Marialei.

 

Enkele jaren later zal Keilig het Stadspark als één van zijn meest geslaagde realisaties omschrijven, niet in het minst omwille van de zeer verzorgde beplanting. Mede daarom blijft hij, tot enkele jaren voor zijn dood, de Antwerpse groendienst met advies bijstaan. 

Keilig overlijdt op 29 juli 1895 in Brussel, waar hij tot aan zijn dood in dienst was als inspecteur van de dienst Aanplantingen.

Postkaart Ed. Nels Brussel, serie 25 nr 20 © G. Adriaenssens

Hoewel er geen foto's bekend zijn van Keilig, toont de man hier rechts op de foto een zekere gelijkenis met het getekende portret uit de necrologie van Le Petit Bleu. Liet de Brusselse uitgeverij Nels (opgericht in 1898) daarom van dit zeldzame portret een postkaart drukken? Uiteraard is dit louter speculatie, maar waarom zou men anders een foto van twee onbekende heren die zo prominent op de foto poseren, als postkaart willen gebruiken? Indien de foto dateert uit 1877 zou Keilig hierop vijftig zijn geweest. We weten uit de vele beschrijvingen van het park uit die tijd, dat de bomen toen reeds in volle wasdom waren. Omdat deze foto eerder op een toevallig kiekje lijkt, stellen we ons voor dat Keilig hier samen met de hovenier van het park, tijdens een inspectieronde, toevallig een fotograaf tegen het lijf liep die op het punt stond een foto van het park te maken en van de gelegenheid gebruik maakte om het duo te vereeuwigen op de fotografische plaat. Ze houden halt links van de rotsgrot, waarvan we nog een klein stukje begroeiing kunnen zien, en kijken richting Loosplaats. Keilig houdt zijn wandelstok losjes onder zijn rechterarm gekneld.